De zwaluw vloog wat hoger op, en draaide snel en scherp in de lucht. Hij nam een duikvlucht en scheerde over het huis, het erf en liet de hond blaffen.
Amata volgde zijn bewegingen, een geopend boek lag vergeten in haar schoot. Even had ze zichzelf de rust gegund om in de eerste zonnestralen te genieten van wat romantische woorden, geen literaire hoogdraver, gewoon een fijne roman. Sandro weigerde pertinent er iets van te lezen. Omdat zijn, door hem op handen gedragen vrouw het las, dulde hij het boek in hun rijk gevulde boekenkast, maar wel met luid verkondigde gruwel en tegenzin. Een inmiddels bijna traditioneel woordenspel tussen hen twee volgde altijd na aanschaf van een nieuwe roman.
De boekenkast verborg een hele muur in een van de kamers van het huis, hun jongens noemden het al de bibliotheek. Amata en Sandro verloren er samen aardig wat uurtjes, door er voor de haard in de lage luie bank boekenavonturen te beleven. Soms eindigend in een voeten gevechtje middenop de bank als ze met zijn tweeen waren, om dan meestal als één te eindigen. Sandro en zij genoten van de uurtjes die ze samen bij de kast deelden. Waarschijnlijk was dat de tweede reden dat hij haar lectuur erin toeliet, want het liefst zag hij het ergens onderop een plankje, of nog beter ergens ver weg in een kist.
Hun zomergasten, verstopten wel eens zich in het knusse vertrek om zich te onttrekken aan de scherpe stralen van de snijdende zon. Soms met boek, meestal met gevuld glas, laafden ze zich dan in de koelte van de lichte boekenkamer Ze waren vaak jaloers op de liefdevolle sfeer die het uitademde. Amata zag dan een twinkeling in de ogen van Sandro, alleen voor haar waarneembaar, wat op haar bruine wangen dan een waasje van rood deed verschijnen. Ze voelde zich betrapt door hun gasten omdat ze opmerkten hoe ontspannen, uitnodigend, warm en liefdevol de kleine bibliotheek aanvoelde.
De zwaluw kwetterde en nogmaals liet hij zich vallen, alsof hij de zonnestralen die de tussen de wolken door dansten wilde ontwijken, in een spel tussen hem de zon. Amata voelde een lach opkomen om het rare gebuitel van de vogel en om de woeste reacties van de hond die in ging op de zwaluw zijn uitdaging. De fonkelende, de viervoeter en de gevleugelde straalden, sprongen en zwierden in een natuurlijk tikkertje.
Plotseling zoefde de zwaluw vlak voor Amata langs, het vergeten boek viel met een klap op de grond, een hoog gilletje volgde.
“Rare zwaluw, wil je soms dat ik ook nog mee doe?”, riep ze met opgeheven vuist, maar met een lach in haar stem.
Ze keek het zwart witte vogeltje na. Daardoor zag ze Zeb, nog onderaan de heuvel op weg naar huis. Fronsend sloeg ze hem gade. Zijn anders zo rechte rug leek week. Zijn stappen veroorzaakten meer stofwolken dan anders. Handen diep weggestoken in de zakken van zijn spijkerbroek, trokken zijn schouders naar beneden.
De zon bescheen hem met een van haar stralen, het wit in de lucht week, zodat ze hem met haar warmte kon blijven volgen, het fijne dwarrelende zand lichtte op in zachtgele tinten.
“Als Anna dit zou zien,” dacht Amata, “had ze het eerst vastgelegd, om daarna op hem af te hollen en hem te omhelzen. Of nee, waarschijnlijk niet, Anna had oog voor mooie beelden, maar nog meer oog voor emoties. Ze zou alleen en vooral hard, rennen”
Amata stond op stapte over het gevallen boek en liep tussen de olijfbomen door, een punt uitmetend waar ze Zeb zou kunnen onderscheppen. Hij hoefde niet alleen te lopen.
20 heuveltoppen verderop verderop keek Fine uit het raam van haar klaslokaaltje, ze zag haar zwarte vleugelvriendje. Een glimlach trok over haar ronde gezichje, en bleef glimmeren in haar ogen. Ze ging wat rechterop zitten en richtte zich weer volledig op haar juf.




