In het kantoor hing een omarmende stilte. Twee hoofden gebogen. Ieder in haar eigen wereld. Elkaar de ruimte gevend de rust te nemen om te werken, of gedachten te laten reizen. Gesprekken hoefden niet, ze mochten.
Anna tuurde geconcentreerd op haar scherm. Ze was foto’s aan het uitzoeken. Voor Amata had ze een aantal foto’s van Renzo en Leandro gemaakt. Gewoon buiten, terwijl ze in de olijfboomgaard aan het spelen waren. Volledig zichzelf, toonden ze zich nu in haar computer.
Renzo, zat gehurkt bij een graspol. Met een frons boven zijn neus, fixeerde zijn blik zich op de dat ene blauwe bloempje wat in het gras stond. Bij een andere foto was zijn intensieve blik gericht op het vlindertje, dat bijna op zijn vinger landde.
Als een tak had hij zijn arm uitgestoken. Het puntje van zijn tong onsnapte net aan zijn lippen. Doodstil had hij gestaan. Alleen zijn ogen hadden geschitterd in constante beweging. Ze waren twee tinten opgelicht, toen de vlinder eindelijk op zijn uitgestoken vinger in het zonlicht was komen rusten. Ze hadden samen vijf minuten genoten. Renzo van de zijdeachtige wittinten van de vlinder, de bijna doorzichtige vleugels, trillend in de zon, meezwierend met de zachte wind. De vlinder genoot van de warmte door de stralen van de zon en met graagte showde ze zich in Renzo zijn aanbiddende blik, voordat ze weer opvloog.
Leandro had ze echt in haar beeld moeten vangen. Snel als een elfenkind bewoog hij zich door meezwaaiende grashalmen en de olijfbomen. Met zijn armen gespreid, zijn bovenlijf soepel op de wind bewegend en zijn sterke, snelle benen, had het in het hoge gras net geleken of hij vloog. Zijn zwarte haren, wild en wat te lang omdat hij niet geknipt wilde worden, wapperden vrolijk mee. Het zonlicht dat in vlakjes door de bladeren glipte, had hem met het schaduw- en lichtspel gecamoufleerd. Leandro had zijn best gedaan de wind te vangen, omdat die zijn haren steeds in zijn ogen duwde. Lachend achterovertuimelend, had hij het uiteindelijk opgegeven en de wind kon vrij met zijn lokken blijven spelen.
Fine lag op het dikke kleed, terwijl Anna de foto’s bekeek. Ze speelde met de zonnestralen door ze door haar vingers te laten glippen. Anna zag haar dit zo vaak doen, en elke keer genoot ze weer van het beeld. De kleine roze vingertjes gestrekt in de zachtwitte stralen draaiend om elkaar. Grijpend zonder vast te houden, Fine deed dit al vanaf de eerste zonneaanraking.
Ze voelde Anna’s blik op zich gericht en keek op.
“Mama?”
“Ja lieverd.”
“Heb jij een foto van papa?”
“Schat, ik heb er zoveel.”
Fine keek rond.
“Waar dan?”
Anna pakte uit een van de kasten een groot boek. En gaf het aan Fine. De buitenkant week af van de andere boeken, Het voelde als zacht fluweel, en was beschilderd met krullende streken goud en diep paars, de achtergrond had een warme rode kleur.
“Een sprookjeskaft, mama, wat mooi!”
“Vind je? Ik heb het zelf gemaakt. Ons eigen beeldverhaal hoort toch in een mooi boek!”
Fine’s kleine handjes streelden over het boek.
‘Waarom open je het niet?’
“Ik weet al wat er in staat, mama”
“Maar je wilde toch naar foto’s van papa kijken”
Fine leek haar niet te horen, met het boek op haar schoot, straalde ze. Ze werd het middelpunt van de ruimte, haar blonde lange haren als de zonnestralen, haar gezichtje met gesloten ogen als de kern. En Anna zag, wat Fine zag. Beelden van hen samen, lachend onder de olijfbomen, rollend door het te hoge gras, de zwaluw in de lucht. Samen spetterend in het meer, Fine drijvend in het water, Anna en Zeb zoenend op het strand.
“Zie je mama, papa is altijd hier.”
Toen stond ze op en legde het album op het buro. Ze pakte de telefoon en gaf het aan Anna. Op dat moment ging het over. Anna had het laten vallen als Fine niet nog haar handje eronder had gehad. Fine moest een beetje lachen om de blosjes op haar moeders wangen.
“Het is papa, neem nou maar op”
“Met Anna”
“Dag lief, hoe gaat het met jullie?” kraakte het door de hoorn.




