apr
01
2009

Fata vertelt! Appelboom (4)

Kijk, daar is ze weer! Reveri wil weer vliegen. Ga je mee? We zweven weer naar het noorden. Naar het huis met de mooie bloementuin. De rode bakstenen muurtjes als grens tussen gras en tegel. Klimop groeit erin, erover, krult zich vast in de voegen.
Hier stappen we af, ja straks komt Reveri ons weer halen. We gaan verder, door de poort, kijk, daar staat de appelboom.
Weet je het nog? Veetje, ik en Roes zouden een plan bedenken. Luister, hier gaat het verhaal verder.

“Waarom heb je die zaden nou nodig Roes?” vraag ik

En Roes vertelt.
In elke appel zit een klokhuis met donkerbruine, bijna zwarte zaden. Als een appel rijp is, valt het uit de boom. De zaden die daarin zitten komen zo in de grond terecht en daar groeit dan een nieuwe appelboom. Omdat de mensen geen appelbomenbos in hun tuin willen, halen ze het eerste begin van de boom gelijk weg. Roes zorgt ervoor dat de zaden ergens anders vallen daar waar ze wel mogen groeien.

“Maar lang niet alle zaden worden bomen” weet Veetje

Ik knik en wil een zin beginnen, maar zie tot mijn verbazing Roes gierend rollen over de tak. Uiteindelijk eindigt ze hangend, armen aan de ene kant, benen bungelend aan de andere kant, over een wat dunnere tak. Tranen rollen over haar nu vuurrode wangen, haar ogen schitteren alsof de sterren er met zijn allen aan het theedrinken zijn. Haar haren zwieren om haar gezicht en langs haar armen, ze lijken mee te lachen.

“Ik lach me een kriek!” gilt ze uit.

Met moeite weet ze zichzelf op te hijsen.

“Jullie zijn echt raar!”

“Maar, het is waar,” hakkelt Veetje

Proetsend naar haar buik grijpend, sputtert Roes dat Veetje haar mond moet houden en dat ze het uit zal leggen. Hoofdschuddend om zoveel mensendomheid vertelt ze haar verhaal.

Omdat de mensen – “jullie zijn echt niet snugger”- de jonge bomen steeds omschoffelden werd er een bijeenkomst belegd voor alle fruitboomverzorgers. – “Dus ook de Peren, de Kersen de Pruimen en ga zo maar door.”- Daar werd besloten dat alle pitten die vielen, verzameld zouden worden. De oudste boomverzorger, een Kers, had een plek gevonden waar alle bomen konden groeien. Roes wist niet meer hoe lang het geleden was, maar ze kon wel vertellen dat het een fantastisch groot bos was geworden. De Boomgaard der boomgaarden. Daar kon je werkelijk alle soorten fruitbomen vinden. Het was er prachtig, vooral in het voorjaar. Dat was Roes haar favoriete tijd, dan bloesemden alle bomen, en gonsde het van de bijtjes en hommels die hun nectar kwamen halen. Daar maakten ze dan de heerlijkste honing van. Goudenzonnestralende honing, heerlijk zachtzoet. Als je er wat van at, voelde je de eerste warmte van de zon door je lijf glijden en ging het puntje van je neus gloeien. Het was het beste middel tegen de griep én het prettigste middel.

“Jullie mensen halen prikken, wij nemen elke dag een lepeltje honing, zoals de mens vroeger een lepetje levertraan moest. Wie is er hier dan de slimste?”

“Dus er is een hele grote boomgaard, met alle bomen die hier niet konden groeien?” vroeg ik.

Langzaam en met een blik ergens in de verte, knikte Roes

“Dan weet ik wat we doen moeten!

Daar is Reveri al weer! Wat jammer, moeten we alweer gaan? Nou, laten we dan nog maar even genieten van de vlucht naar Terug, zal ik Reveri vragen of ze over zee gaat? Het is zo’n mooi gezicht, de kalmte van de golven, de eeuwige beweging, het is bijna hypnotiserend. En dan het ruisen van de branding, als een constante hartslag van de zee. Kom we gaan, ga lekker liggen Reveri is zacht en warm, ze zorgt dat we weer veilig terugkomen. De volgende keer vertel ik verder over de Zonnehoning en de zaden van Appelboom.

Liefs Fata.

Reageren? »

RSS feed for comments on this post. TrackBack URL


Leave a Reply

© 2009 - 2010 AtEllens.nl | Powered by WordPress | Theme: Aeros 2.0 by TheBuckmaker.com