(voor alle delen op een rijtje, klik bij de categorieën op ‘Storia Magica’ daar vind je ze allemaal!)
Hoor je het? Ze is er weer! Zacht suizend door de lucht komt ze je weer halen, wil je nog mee? Het is al even geleden, weet je het nog? Het verhaal van de Appelboom? Kom stap op, het is weer tijd. Reveri neemt je weer mee, kruip op haar rug en laat je vliegen, naar de tuin in het noorden, naar het huis met de klimop tegen de gevel, en de poort in de achtertuin, de doorgang naar fabelachtige vertellingen.
Laat ik onderweg even een beetje hervertellen. Mijn vriendin Veetje en ik hadden appels geplukt terwijl ze nog niet rijp waren. Een ramp voor Roes, de verzorgster van de Appelboom, zij had nu geen appels om te geven, en geen zaden om naar de Boomgaard der boomgaarden te brengen. Veetje en ik besloten, Roes te helpen hoe het verder gaat vertel ik je nu.
Kom, de vlucht was weer heerlijk hè! Reveri komt ons straks weer halen, geen tijd verspillen nu, we gaan direct door de klimoppoort, waar we verder gaan met het verhaal.
“Wat wil je doen dan? “ vroegen Roes en Veetje tegelijk. Ik schrik van het gilletje van Veetje en Roes moest weer lachen “Hahaha, je was te langzaam! Als je iets tegelijk zegt dan knijpen jullie elkaar toch altijd? Nu mag je een wens doen!”
“Dan hoef je nog niet zo hard te knijpen!” moppert Veetje terwijl ze met een een frons boven haar neus over haar arm wrijft. Maar toch sluit ze haar ogen en de frons wordt een kleine rimpel, wordt een glimlach. “Dit wordt de beste wens ooit! “ zegt ze “En ik ga het pas zeggen als het uitkomt, anders lukt het niet!” Ze snoert ze me de mond met en hele strenge blik –en neem maar van me aan dat ondanks het lieve gezicht van Veetje, haar hazelnootogen heel streng kunnen kijken!- , omdat ze weet dat ik te nieuwsgierig ben en heel lang zal blijven zeuren naar wat ze dan gewenst heeft. Ik geef dus maar antwoord op hun vraag in plaats dat ik zelf één stel.
“Het lijkt dan misschien wel zo dat alle appels weg zijn, het waren er ook wel veel, de mand was echt helemaal vol, maar Veetje en ik kunnen nooit alle appels geplukt hebben! We konden toch niet bij de hoogste takken!”
Meewarrig kijkt Roes me aan. “Juist die bovenste appels worden door vogels opgegeten, voor hen zijn de hoge appels het makkelijkst te bereiken en het veiligst ook! Sam de dikke rode buurkat lukt het namelijk niet meer zo hoog te klimmen. Ook zij brengen de zaden verder voor me, al weet ik nooit precies waar.”Ze giechelt en een blosje tovert haar wangen nu weer rood “En ik ga natuurlijk niet aan ze vragen waar ze hun vogelpoepjes laten vallen en dan is het nog maar afwachten in welke de zaden zouden kunnen zitten”
Om haar woorden kracht bij te zetten doet Roes een klein toneelstukje waarin ze speelt dat ze achter een vogel aanrent en vraagt: “Zeg Mus, vertel even waar je gepoept hebt!” Gierend om haar eigen grapje ligt ze weer languit op haar buik op de tak haar slippertjes vliegen van haar voeten terwijl ze met haar beentjes trappelt van de lach.
Toch weet ik wat ik moet doen. “Ik ga op zoek” zeg ik. Met mijn blik naar boven zet ik mijn voeten in de ruwe boomschors en begin te klauteren. Veetje duwt me een stukje omhoog, zodat ik net een uitstekend takje kan pakken en me daar optrek, om Veetje daarna ook omhoog te trekken.
“Nou nou, echte klimheldinnen zijn jullie hoor!”klinkt het opeens boven ons. Als ik op kijk, kijk ik recht in het ondersteboven gezicht van Roes, ze hangt aan gebogen benen aan de tak boven ons, haar knietjes puntig onder haar broekje uitstekend. Haar rode harendos kriebelt mijn neus en ik moet ervan niezen, wat weer een lachbui bij Roes oplevert. Bozig en met een beetje schaamte omdat ik niet zo goed ben in het klimmen. Mopper ik
“Ja, wil je nou dat we je helpen of niet” Ik sla mijn armen over elkaar terwijl ik tegen de grote stam aanschop, daarbij ook nog mijn grote teen zeer doe. Stiekem weet ik ook wel dat het op deze manier wel heel lang gaat duren om in de bovenste takken te komen en dan moeten we ook nog zoeken.
“Misschien was het toch niet zo’n goed idee” grommel ik. Terwijl ik over mijn teen wrijf.
Dan staat Roes ineens voor me, in een perfecte landing. “Het is wél een goed idee! En het spijt me dat ik steeds om jullie moet lachen, jullie zijn ook zo grappig, maar vooral ook lief, toch wel. Dus nu ga ik jullie mijn klimgeheimpje verklappen en dan gaan we zoeken!”
Oh jeeh, oh jeeh, kijk eens naar de tijd, we zijn hier al weer te lang! Kom we moeten gaan, laten we Reveri vragen of ze ons gezwind en sneller dan de wind terug wil brengen. Hou je maar vast, daar gaan we! Voel het waaien, laat de wind je wangen kleuren en de slaap in je ogen blazen. We komen wat sneller naar jullie terug hoor, beloofd. En dan vertel ik jullie of we nog een appel vonden.
Liefs Fata.




