Ik ben er weer, samen met Reveri, ga je mee, stap maar op. We gaan naar daar waar we waren gebleven. Kom, nestel je in haar vacht, laat haar veren je zacht kriebelen terwijl ze vliegt.
Daar zijn we. Bij het huis van rode bakstenen en het hoge grijze bemoste dak, naar de tuin vol bloemen, door de poort gaan we weer, om ons te verwonderen over de kleuren van de dalia’s. Ik had je al verteld van de Appelboom en zijn verzorgster Roes. En hoe ik met mijn liefste vriendinnetje Veetje de appels te vroeg plukte. Luister, hier gaat het verhaal van de Appelboom verder.
Tegen de muur bekleed met de klimop die ook de poort naar dit gedeelte van de tuin vormt, zitten we. Stilletjes. Voor ons de grote ijzeren aardappel mand, vol met appels. We wilden echt helpen, maar hadden niet begrepen dat het nog te vroeg was. Onder de indruk van de vlammende tirade van mijn vader zitten we nu, op het stapeltje turf. Oude turf, die opa ook nog had gestoken vroeger. Misschien lag er nog wel een van zijn hand onder ons.
“Zo, en nu, wat gaan jullie nu doen? En wat moet ik nu doen?”
Uit het niets klinkt een stemmetje, snikkend, overslaand. Ik kijk naar Veetje, maar zij kijkt met grote ogen naar mij. Dan voel ik een prik tegen mijn blote teen. Het is zo’n heerlijke lauwwarme laatzomer dag, dus slippers en een door het spelen wat viezig kniebroekje en t-shirtje horen bij mij vandaag.
Ik trek snel mijn voet weg, denkend dat er een wesp langs zoemt. En dan zie ik haar. Veetje ziet haar ook, ze kijkt verrast en vertederd naar het wezentje op de grond voor ons.
Woest rood krullend haar. Een kleine witte bloesem probeert, zonder echt succes wat haartjes uit haar gezicht te houden. Het verbaast me, bloesems zijn er alleen in de lente, maar dit wonderlijk schepseltje heeft er een achter haar oor. Een bladgroen manteltje wappert om haar heen, en al is er geen wind, het lijkt steeds te ruisen. Af en toe kiert er een opening en zie je een witroze broekje, en een rood truitje erboven. Net als ik draagt ze slippertjes, appelgroen. Ze is de helft kleiner als de turven waar we opzitten.
Met haar handen in de zij en vlammende groene en betraande ogen kijkt ze naar ons op.
“Nou, zit me nou niet zo dom aan te staren! Jullie hebben Appelboom veel te vroeg geplukt! Wat gaan jullie eraan doen, waarom luisterden jullie net niet naar mij. Doe je mond dicht slippermeisje, straks vliegt er een wesp in!”
Met een klap zet ik mijn kiezen weer op elkaar, bijna op mijn tong bijtend. En het enige wat ik kan zeggen is:
“Je bent zelf een slippermeisje”
Dan voelen we hoe we ineens opgetild worden door de wind, misschien dezelfde die ook steeds haar manteltje laat zwieren, want er beweegt verder geen blad, alleen wij wervelen omhoog. Hoog worden we opgetild, onze handen klemmen in elkaar, tien vingers knijpen het bloed uit de andere tien. Samen zweven we in de lucht, te verbijsterd om geluid te maken.
Dan voelen we hoe we voorzichtig in de takken van de boom worden gezet, we kunnen er over lopen alsof het een van de schelpenpaadjes is die om het huis lopen.
Een vette rups, heldergroen, vrolijk gele stippels waar lange haren uit komen, wandelt voorbij, hij groet ons. Zijn zwarte oogjes omringt met de mooiste wimpers.
Veetje durft haar hand uit te steken en zijn vel te voelen. Uitstekende, lange, trillende haartjes kriebelen onder haar hand door, ze giechelt. Dan pas dringt er iets tot ons door.
De rups was bijna net zo groot als een kat en hij groette!!
We waren gekrompen, en stonden in, of eigenlijk op, Appelboom. Maar daar vertel ik de volgende keer meer over.
Eerst stappen we weer op de rug van Reveri, heb je het wat koud gekregen? Hier heb je een extra dekentje, nestel je er maar lekker in. Het is tijd om naar Terug te gaan, Reveri brengt ons, ga lekker liggen en geniet even van de maan, kijk hoe hij naar ons lacht, als je goed oplet zul je zien dat hij naar je knipoogt. Wij zijn weer onderweg naar Terug, de volgende keer neem ik je weer mee.
Liefs Fata
Het volgende deel vind je hier: deel 3




