Roerloos stond hij. Uiterlijk bewegingsloos, maar innerlijk raasde en ziedde het bloed door zijn lijf. Zeb had zijn zus gevonden. Hij zag van een afstand dat er iets mis was. Vroeger sprankelde ze, trok ze al het licht naar zich toe, om het weer uit te strooien over iedereen die in haar buurt was. Hij zag dit ook in zijn kleine Fine terug, daarin leek ze op haar tante.
Maar nu zag hij een vrouw die moe was. Die ergens tegen aan het vechten was, maar de strijd leek te verliezen. Een huivering ging door hem heen. Wat was er met haar, waarom was het licht uit haar verdwenen.
Hij keek hoe ze op een stoel haar tuin in staarde. Zijn zus kon hem niet zien, daar zorgde hij wel voor. Ze had een zomerjurk aan. Licht met prachtige geschilderde bloemen op de rand van de zoom, groene halmen klommen naar boven en sierden het lijfje. Om haar armen en schouders lag een mooie grote sjaal, gehaakt in hetzelfde breekbare lila en zacht roze als de bloemen. Haar blonde haren in een vlecht. Hij ging er vanuit dat het ontwerp van de jurk door haarzelf gedaan was, ze was vroeger al fantastisch in stofbewerking en zette de mooiste dingen in elkaar. Ook de omslagdoek zou ze zelf gemaakt kunnen hebben.
Hij slikte, hij zou naar haar toe moeten gaan, haar vragen wat er aan de hand was, waarom ze niet schitterde, waarom ze zo moe was. Maar hij zijn benen weigerden dienst, hij stond nu al zo lang naar haar te kijken en er kwamen alleen maar vragen die hij niet durfde te stellen.
Had ze het hem vergeven. Had ze het verdriet wat hij hen had aangedaan kunnen verwerken, of was dat de reden dat ze nu zo moegestreden was. Hoe was het met zijn ouders. Hij wist, door de informatie van Sandro, dat ze nog leefden, dat ze vlak bij elkaar woonden. Hadden zij hun leven weer kunnen oppakken na wat hij hen had aangedaan.
Met een hand streek hij door zijn haar, liet zijn hoofd zakken.
“Het gaat nog niet, het is te moeilijk” als een zucht kwam het uit hem.
Hij draaide zich om. En keek recht in groene ogen in een vriendelijk gezicht. Kalmte en kracht waren twee woorden die in hem opkwamen. Hij voelde hoe de rust ook hem overspoelde.
“Jij bent Zeb” zei ze.
Hij knikte.
“Ik ben Fine”
Zeb zoog lucht naar binnen, zijn ogen wijd opengesperd. Een glimlach gleed over haar gezicht.
“Inderdaad, die Fine. Je moet gaan, als je je nu omdraaid wordt de stap naar haar toe nog moeilijker. En Sara heeft je nodig, ze heeft je echt heel erg hard nodig. Ga maar, het komt goed. Ik volg”
Zeb’s verwarring door het horen van de naam van de mooie oude vrouw, verdween. Hij rechtte zijn rug, draaide zich weer om en duwde het hek naar de tuin open. En stapte het pad op dat erdoor slingerde.
Het hek gleed met een piepje weer terug in het slot Sara draaide haar hoofd.
“Zeb?” haar stem sloeg over “Zeb!”
Zeb keek naar zijn zus, zag dat het licht nog wel in haar ogen scheen. Ze had haar armen gespreid. Tranen stroomden over haar wangen en toch kwam een heldere lach hem tegemoet. Zeb rende naar haar toe en tilde haar op uit haar stoel, wat was ze licht, veel te licht.
De oude Fine zag het van een afstandje aan. Haar ogen glommen nat, ze draaide zich om en liep haar eigen tuin weer in.
“Ik volg, later”




