Met zware stappen, liep Zeb terug naar het huis van Sara. Steenjes stuiterden voor hem uit en verdwenen in het hoge gras naast het pad. De steentjes lieten op hun beurt weer krekeltjes en klein fladdergoed voor hen uitdansen. Hij zag het niet. Zijn blik volgde alleen het pad tot zo’n vijf meter voor hem uit.
Hij stapte Sara’s tuin in. De laatste bloeiende rozen straalden hem toe. Ze lieten hun geur voorzichtig vrij om de bijen te lokken en hem te verleiden dichterbij hen te komen, om hem te wijzen op hun ranke schoonheid. Zeb liep verder de tuin in, hij voelde hoe het hem omarmde en liet het toe, hij herkende de liefde van Sara erin. Langzaam werd hij weer bewust van zijn omgeving, van zichzelf. Hij richtte zich op en ademde diep het parfum van rozen, lavendel, en de verschillende kruiden in. Het bouquet werd warmer naarmate hij verder achter in de tuin kwam. Een mooi wit marmeren bankje stond in een poort van klimop. Zeb ging er zitten. En in de omslotenheid van het groen, de geuren en de diepe kleuren van bloeiers, merkte hij dat zijn hart weer langzaam wat lichter begon te worden.
De ontmoeting met zijn ouders was zwaar geweest. Niet door hen, maar door hemzelf. Het schuldgevoel wat hij toen had woog niet op tegen wat hij nu voelde. Bij het zien van hun grijze hoofden. De aanblik van de zorgrimpels in hun gezichten en de pijn in hun ogen, toch niet volledig voor hem verscholen, kon hij zichzelf alleen nog maar verwijten dat hij ze in de steek had gelaten. Hij had ze niet alleen hun toekomstige schoonzoon ontnomen, maar ook hun eigen zoon. Door te vluchten voor zijn gevoel, had hij hen met nog meer opgezadeld, zorg, angst en verlammende onzekerheid over hem.
Maar zijn ouders ontvingen hem zonder hem ook maar iets kwalijk te nemen. Ze hadden hun armen geopend en hem lang vastgehouden. Gedrieënen hadden ze daar zo een tijd gestaan gestaan, in stilte. Woorden hoefden niet meer. In deze innige, intense omhelzing werd alles besproken en nog meer begrepen.
Daarna hadden ze elkaar opnieuw leren kennen, hij had verteld dat ze een schoondochter hadden en een tweede kleinkind. Hij vertelde over de gelijkenis tussen Fine en Stefan en hun zwaluw. Zij vertelden hoe Fabris was de man van Sara, een sterke man die Sara een jaar na het overlijden van Vito ten huwlijk had gevraagd. Dat Fabris de zoon van Vito had opgenomen in zijn hart. Samen hadden nog geprobeerd kinderen te krijgen, na een tweede miskraam bleek dat Sara kanker had.
Ze hadden hem verschillende malen verteld dat hij zich niet schuldig hoefde te voelen, niet over de dood van Vito, maar ook niet over zijn vertrek, ze begrepen het wel.
Toch bleven kille handen zijn hart af en toe omklemmen. Belemmerden hem zich vrij te voelen, vrij van blaam.
“Ik heb ze in de steek gelaten!”
“Ja, dat heb je ook”
Met een ruk haalde Zeb zijn hoofd uit zijn handen en keek in het oude open gezicht van Fine. Haar ogen namen hem op, misten geen enkele reactie van hem, schrik, herkenning, spijt en dan de rust. In haar ogen las hij het antwoord.
“Maar ik kan het nu niet meer veranderen”
“Nee,” beaamde ze “maar kijk eens verder je leven in. In plaats van je nu weer in schuldgevoel te wentelen en te verschuilen, wat is het grote verschil met toen en nu?”
“Ik heb Anna gevonden. En Fine van haar gekregen!”
De zachte glimlach op de oude Fine haar gezicht vertelde hem dat alles zijn reden had, dat overal van geleerd wordt en dat zijn weg, ondanks de foute afslag uiteindelijk toch leidde naar het enige juiste. Liefde.
Ze stak haar hand naar hem uit, sterke slanke vingers. Gebruind, verweerd, maar onverwachts zacht. Hij liet zich optrekken door haar, in alle betekenissen van het woord en hij voelde hoe zijn hart nu eindelijk, kalm kloppend, in warme handen mocht liggen, de handen van zijn familie.




