Oh mijn god, ik wil het. Ik wil het zo graag dat het zeer doet. Verlangen brandt. Mijn maag draait. Mijn vingertoppen tintelen. Mijn handen glijden over het zachte dekentje, het kleine warme lijfje eronder. Zachte donshaartjes op het hoofdje.
“Eva! Kom, er komt weer een binnen! Volle maan hè!”
Ik ruk mijn blik los van het een uur oude mensje, check of naam en status nog kloppen. Ze zeggen wel eens dat baby’s verwisseld worden omdat ze op elkaar lijken. Maar ik weet feilloos bij welke pasgeborene welke moeder bij hoort en een moeder die zich daarin vergist? Het lijkt me onwaarschijnlijk.
Nog een keer streel ik over het hoofdje, trek de lakentjes goed. Mijn hand glijdt, in een vertrouwd gebaar over mijn buik. Leeg. Het bood twee weken geleden nog tijdelijk plek voor een nieuw leven. Het bleek bij acht weken al niet levensvatbaar. De eerste echo liet geen hartritme zien. Nog een week heb ik het dood in me gedragen. Ze wilden het afdrijven opwekken. Afdrijven? Ik wilde het alleen maar vasthouden! Hoe kon ik nou afscheid nemen van dat wat mijn grootste wens was. Maar na een week, kon ik niet meer tegen mijn lichaam en de natuur op. De fysieke pijn was niets vergeleken bij het verdriet. Wéér niet.
“Eva!! Ze zit op de tien! Kom nou!”
De vrouw in het kraambed gilt moord en brand. Ergerlijk. Wees blij met de bevallingspijn, wees blij met het hoofdje dat zich zet en wat zeer doet. Geniet van je bevalling, jij kan het doen! Mijn lijf blijkt niet geschikt, vijf keer voortijdig afgebroken zwangerschappen, ík ben niet geschikt.
Twee kindjes liggen in hun bedje van doorzichtig kunststof, het groentelaatje, zoals ik ze ook wel noem. Kruikjes verwarmen hun lijfjes. Hun moeders liggen op dezelfde zaal, ik rij ze naar hen toe. Als ik met beide bedjes langs het eerste bed rol, komt de moeder omhoog. Haar gezicht nog wat gezet, wangen nog rood, ik zie een gesprongen ader in haar linkeroog, zo hard heeft ze geperst. Ik vond haar een mooie bevallende, sereen. Ze onderging de pijn, en genoot, dat zag ik. Zij kent de waarde van de bevalling. Haar buurvrouw richt zich nu ook op. Het speenvarken. Zo had ik haar al genoemd.
“Ach, wat schattig. Ze hebben allebei dezelfde blauwe mutsjes op” zegt Speenvarken met matte stem, ze is duidelijk uitgegild, gelukkig. “Maar welke is nou van mij? “
Ik hoor hoe de mooie moeder haar adem inhoudt. Dan wijst ze naar het rechter laatje, is behulpzaam in aanwijzen “Dat is Max, hij is van mij. Hoe hebben jullie hem genoemd?”
Het is laat in de nacht, het schemert zelfs al naar de ochtend. Ik voer nog één keer een controleronde uit. Max ligt bij zijn moeder in bed. Eigenlijk mag het niet, het is tegen ons beleid, maar Max was wat koud en ik en de moeder waren het er over eens dat zij de beste kruik was.
De kleine van Speenvarken ligt met zijn oogjes open in het groentelaatje. Hij sputtert een beetje. Zij snurkt echter door zijn zachte kreetjes heen. “Hoe hij heet? Oh, Hij heet Jamie, leuk hè? Gister nog bedacht!” Die zin had de hele nacht door mijn hoofd gespookt. Al mijn vijf, al droeg ik ze nog geen drie maanden, hadden een naam.
Voorzichtig til ik Jamie uit het glazen kistje. Hij kraakt, zoals alleen pasgeborenen kunnen kraken. Hij ruikt naar nieuw leven. Hij is zo zacht. Als ik hem tegen mij aan leg zoekt hij naar mijn borst. Mijn fysieke reactie is onmiskenbaar. Tranen branden over mijn wangen. Mijn hoofd bonst.
“Ssst stil maar. Ik kan dan misschien niet dragen, maar ik kan wel zorgen. We mogen naar huis. Je bedje staat al klaar. Het was voor vijf, maar is nog nooit beslapen, jij zal de eerste zijn. En weet je? Als we hard genoeg proberen, heb ik ook wel moedermelk, dat voel ik. Kom mijn kleine engel, we gaan”
Dit is mijn debuutbijdrage voor de nieuwe schrijfhyve: That’s write!, een toelaatblog. De opdracht staat op de hyve vermeld.
Wil je meedoen? Dat kan! Lees ook op ‘That’s write’ hoe.





mooi verhaal Ellen, mooi debuut!