“Als je me zoekt, ik ben het meisje met het wilde haar”
De schermverlichting dooft en maakt haar boodschap onleesbaar, maar de woorden blijven dansen voor zijn ogen.
Zijn trein nadert het perron, hij slikt. Hoe had hij ooit kunnen denken dat hij dit durfde. Zij wel, zover was duidelijk, ze stond immers al op het perron te wachten. Hij roept haar beeld op, slechts op foto’s gebaseerd. Blauwe ogen, lang rood haar, een zachte open blik. Uit haar geschreven woorden meent hij te weten hoe ze is. Maar wist hij het goed? Hoe makkelijk is het om geschreven woorden anders te zien dan degene die ze schrijft? Hoe goed kende hij haar nou werkelijk? Buiten waait een herfststorm, in hem een verwoestende orkaan.
De telefoon ligt nog in zijn hand, hij activeert het scherm weer. Letters lichten op
“Als je me zoekt, ik ben het meisje met het wilde haar”
De woorden branden, hij hoort de bellen van de spoorwegovergang. “Bijna, ik ben er bijna, vlak bij haar, ze wacht op me.” De woorden wervelen door zijn hoofd
Haar laatste mailtje had bijna gedanst.
‘Morgen zie ik je, eindelijk mag ik je vasthouden, eindelijk kan ik je horen, ik heb er zin in, al vind ik het griezelig, je komt wel he? Je laat me niet daar alleen staan toch? Ik wacht op je morgen…zoen voor jou, mijn lief, slaap lekker.’
Hij had niet geantwoord, maar vanmorgen een sms gestuurd.
“Goedemorgen schoonheid, ik ben onderweg, naar jou, nog een paar uur en dan mag ik je eindelijk vasthouden”
De trein remt af, de spoorovergang-signalen vervagen. Het perron doemt op, er staan meerdere mensen te wachten, hij ziet haar gelijk. Wild haar. De wind speelt ermee en ze laat hem zijn gang gaan, lachend om zijn spel. Piepend staat de trein stil, hij zit nog. Hij ziet haar blik de wagons afspeuren, over het perron dwalen, haar lach vervaagt.
Traag maakt de trein zijn laatste remmende meters. Eindelijk! Ik kijk door de ramen om te zien of ik hem herken, de wind trekt aan mijn haren en ik moet erom lachen. Ik ben niet de enige met wild haar, ik hoop dat hij me vinden kan. De deuren openen, mijn hart raast met de wind, mijn wangen gloeien. Ik voel niks van de eerste herfststorm, want hij komt. Het is geen druk station een handjevol mensen stappen uit. Waar is hij? Ik bestudeer zijn levensschets in mijn gedachten, maar vind geen werkelijk beeld. Waar blijft hij? Het fluitje gaat, de kou trekt door mijn jas.
“Ik moet gaan”, beseft hij, “Ik mag haar niet laten staan”. Hij springt op, rent door de coupé, het aansterken van het geluid van de treinmotoren waarschuwt hem. Sneller! Het fluitje van de conducteur toetert in zijn oren
“Oh nee, oh nee, ik moet eruit, ik moet er nog uit!”
De deuren sluiten sissend, hij kijkt naar de conducteur die de laatste deur net gesloten heeft.
Metaal en dik glas scheidt hen. De conducteur glimlacht en wijst naar een plek achter hem.
Dan draait hij zich om. De wind grijpt zijn sjaal.
Haar haren waaien als in een zoetgeurende omarming om hem heen, armen volgen. De herfst heeft vrij spel, maar ze merken het niet meer.
(voor Het muziekverhaal )




