nov
03
2010

Mijn Lodewijk

“Godsamme, het is alsof ik een dooie rat heb opgegeten!”
Gesproken tegen niemand in het bijzonder, komt het schor uit mijn strot. Slikkend tegen de droogte in mijn keel, rek ik me uit zover ik kan, niet gehinderd door andere ledematen dan de mijne. Vloekend probeer ik de plotselinge kramp in mijn linkerkuit op te vangen.

“Die klote hakken!”

Als de kramp wegzakt ga ik weer languit liggen, de lakens trap ik af. De kat komt spinnend langs de blote huid van mijn been kruipen, kietelt langs mijn zij en snuft terwijl ik grinnik om het gekriebel van zijn zachte vacht

Ik grijns om het optrekken van zijn snuit, als het geen kat was, had hij ongetwijfeld gezegd dat ik een pepermuntje moest nemen. “Ja ja, ik ga zo schrobben, maar eerst nog even nagenieten van de nacht.”
Ik nestel me nog even in de kussens en zie ik door de fijne gordijnen hoe de zon al schijnt. Ze flakkert vriendelijk door de bomen, werpt lichtfonkels op de hakken die mijn kramp veroorzaakten.
Damn, ze zijn echt werelds! 12 cm hoge hak, een lichte plateauzool, de fijne bandjes over de wreef, de scherpe, maar net niet puntige neus, en de kleur! Mooi warm bordeaux, bijna auberginekleurig. Ik was er op slag verliefd op, moest ze koste wat kost hebben. En nu ik ze zo in het gefilterde zonlicht zie, heb ik spijt van mijn scheldpartij van daarnet .
“Sorry schoenen, een beetje tough love mag ook wel hè!” Genietend van hun aanblik, droom ik nog een beetje.

”Ooh mijn god, mijn hoofd.”

Jouw fluistering sterft weg in de ruimte. Met je ogen gesloten frons jij je wenkbrauwen. Met een zwaar gevoel in je hoofd, een onrustige tinteling in je maag open je voorzichtig jouw ogen.
In een ruk richt je jezelf op, gelijk weer ineenkrimpend in een poging de felle steken achter je ogen te ontwijken. Misselijk, een hand stevig tegen je slaap gedrukt, probeer je te zien. Langzaam doemt het beeld van een vreemde kamer op.
Je slikt, je keel is droog. Je hoest door jouw hoge hartslag, die zich van borst naar keel uitbreidt. Met je hoofd in je handen in een poging de drukkende pijn weg te duwen probeer jij je te oriënteren. Een hoge kamer, met een lang smal raam. Groezelige gordijnen hangen stil ervoor. De zon valt door de rafels. Het bed ruikt raar, oud, muffig.

Voorzichtig sta je op, de steeds intensere hoofdpijn negerend. Op blote voeten loop je naar de grote ovalen, met goudkleurige sierlijst omhulde passpiegel. Het enige mooie in de kamer. Jouw vingers glijden, ondanks dat jij je verschrikkelijk voelt, langs de vergulde lijst. “Lodewijk de 14e?” Vraag jij je af. “Nee, de 15e!” Beslis je terwijl je vingers over de ronde vormen glijden. De kop, bovenop de lijst, kijkt minzaam op jou neer. En dan zie je jezelf, de spiegel is, in al haar schoonheid, ongenadig.

Een bleek gezicht, onnatuurlijk glanzende ogen. Blootsvoets. Nog gekleed in je broek en bh.

Door flarden herinneringen zie je hoe je, thuis, zorgvuldig je kleding voor de avond aantrekt. Jeans, simpel, strak, zwart. Blouse, prachtig glanzend zijde, donkerpaars, de snit van de decolleté uitdagend. Jouw lingerie van ragfijn, mosgroen, kant, bij beweging vluchtig zichtbaar.
Je zoekt tussen de nevelen van beelden, hoort vlagen muziek, maar de rest van de avond is verloren in de mist.

Onvast draait jij je om “Ik moet hier weg. Nu!”

Zachtjes herhaal je die zin, als een mantra. Met je armen om je heengeslagen loop je rond, voorzichtig, om de hoofdpijn niet te verergeren. Je zoekt naar je spullen, naar een verklaring.

Ik draai voor de grote passpiegel, in een drieluik op de muur geplakt. Geen lijst, slechts spiegeling. Bewonderend kijk ik naar mijn hakken, hoe ze perfect om mijn voet passen. Hoe ze glanzen in het gefilterde zonlicht. Ik geniet van hen aangezicht, hun pasvorm en hoe ze mijn houding koket maken. Mooie slanke kuiten, billen die door licht gekantelde heupen op hun best zijn, net wel, net niet onder de kimono. Ik geniet van mijn eigen lijf en voorkomen, streel over mijn zachte huid. Mijn blik wordt donkerder, opwinding trekt warm en tintelend door mijn lichaam.

De enige spelbreker is de spiegel, hij omlijst het plaatje niet zoals het beeld wel verdiend. Ik besluit mijn Lodewijk op te halen.

Je ontdekt dat je schoenen verdwenen zijn, je tas zoek is en je blouse spoorloos.
Er staat een kapstok, waar wel wat aanhangt, maar niet van jou. Toch trek je de slippers die eronder staan aan toevallig jouw maat. Het shirtje aan de kapstok is een beter alternatief als slechts in bh gekleed gaan. Wanneer je het over je hoofd trekt en diezelfde geur ruikt als in het bed, hoor je gemorrel aan de deur die jij niet open kon krijgen.

Je ziet mij, het poets-meisje van beneden. Ik zie de herkenning. En dan alsof je tot een besef komt loop je naar het raam, je herkent de grachtengordel, alleen gelijkvloers. Wat dom dat je daar nog niet naar had gekeken, je bent duidelijk nog niet helder.

“Mooi penthouse heb je.” Zeg ik.
Je draait je om en hapt naar adem, ik ben ineens zo dichtbij je. Je ruikt lekker, op je shirt na. Je ruikt net als ik. Ik streel je hals, jij wijkt iets achteruit, je huid zo heerlijk zacht, je kreunt, mijn duim zet iets meer druk en je lijkt uit je roes te ontwaken.

Ik sus.

“Je had niet zoveel wodka jus moeten drinken, daardoor proefde je niks, je kracht is nog lang niet terug, rustig maar.”

Je spartelt en ik staar in jouw ogen die open gesperd groter lijken te worden. Het waasje blauw op je bovenlip is onaantrekkelijk, toch kus ik jouw laatste adem weg.

“Bedankt voor jouw verfijnde smaak, alleen van spiegels heb je geen verstand.”

Ik stap over je heen met mijn spiegel Lodewijk, gekocht van het schoonmaakgeld van jouw etage, waar ik nu alles weet te vinden.

©Ellen, ’10

Geschreven na een uitdaging van Jolka , dankjewel J. heb het met plezier geschreven!

Written by in: bron: onbekend. | Tags:,

1 reactie »

RSS feed for comments on this post. TrackBack URL


Leave a Reply

© 2009 - 2010 AtEllens.nl | Powered by WordPress | Theme: Aeros 2.0 by TheBuckmaker.com