“Ik schrijf je niet.”
“Ik jou ook niet.”
In mijn hand een pakje Marlboro geklemd. Zijn telefoonnummer stond erin, net zoals het mijne in zijn pakje Camel stond.
“Ik ga je ook niet bellen.”
“Nee ik jou ook niet.”
Een glimlach gleed over ons beider gezichten. Hij streek een zonblonde lok uit mijn gezicht en ik kuste hem, voor de laatste keer, om te eindigen in een laatste, intense omhelzing.
Vakantieliefde, door ons ook zo herkend. We wilden de magie niet doorbreken door elkaar weer op te zoeken. We wilden elkaars beeld vasthouden in de warme Franse duinen, onder de blauwzwarte hemel met sterren die schitterden en ‘de grote beer’ die navigeerde naar het noorden, ons thuis. We wilden niet omhelzen op een winderig, grauw station, of in een koele, jachtige Nederlandse stad. Niet spreken middels lange telefoongesprekken waarin het gemis duidelijk werd en waarin aanraking en zien onmogelijk waren. Het zou ontnuchteren. Deze vakantieliefde was zoals het zijn moest, kort, intens en eindig. Hij ging terug naar zijn vriendin, ik bleef nog een week. Hij wist dat ik zijn vertrek niet zou eren in treurige eenzaamheid.
Eenmaal werd de belofte gebroken. Hij belde toch. Een heerlijk lang gesprek volgde. We waren een jaar verder. Allebei onderweg om te settelen. Die avond zou hij zijn nieuwe vriendin meenemen naar de film. Ik zou met mijn vriend naar een festival. Hij droomde die avond over blonde lokken aan de Franse kust, in de bioscoop. Ik verloor mezelf en herinnerde felblauwe ogen in de Franse duinen, op de dansvloer.
Voor de klik van het verbreken van de verbinding, zei hij:
“Ik bel je niet meer.”
“Nee, ik jou ook niet.”
En nu zie ik hem lopen. Twintig jaar later, een leven later. En toch herken ik hem. Zijn tred onveranderd licht, zijn bouw atletisch. Zijn donkere krullen, even ongetemd. Hoe groot was de kans, maar hij was het!
“Sam!”
Ik schrik van mijn eigen stem en ondanks dat het te is laat om het geluid te stoppen, duw ik een hand tegen mijn mond.
“Shit! Wat doe ik…”
Zijn zoekende ogen vinden me. We staren even naar elkaar en dan loopt hij op me af, doelbewust, zonder hapering. Met razend hart zie ik hem dichterbij komen. Vlak voor me houdt hij stil.
Hij herkende haar alleen al op haar stem. Haar ogen dezelfde als toen, lippen even zacht. Haar houding nog altijd trots.
“Eef.”
Gezichten naderen elkaar, voorzichtig aftastend, raken onze lippen. Een omhelzing volgt. Een glimlach. Onze handen vinden elkaar en we vlechten onze vingers.
“Hoe is het met je”
“Goed, met jou?”
“Ja, ja ook goed. Inmiddels getrouwd.” Hij laat zijn geringde vinger zien.
“Oh, nee, ik niet, wel een vriend, twee kinderen.”
“Ik één, een jongetje”.
“Woon je nu hier?”
“Nee, nee, ik ben hier voor zaken, ik slaap in een hotel vannacht. En jij?”
“Ik logeer vannacht in het Marriot. Ben net klaar met een overleg” Ik maak een vaag handgebaar in de richting van het hotel.
“Het Mariott, dat is toevallig, ik ook!”
De woorden blijven tussen ons in hangen, zinderend, ik voel zijn blik branden en sla als eerste mijn ogen neer. Ik pak opnieuw zijn hand, hij laat een duim over mijn handpalm glijden. Het tintelt.
Zonder dat er overleg nodig is, lopen we samen verder, hand in hand. Op een terras vertellen we elkaar meer over de afgelopen twintig jaar. Gespreksstof blijkt, net als toen in de duinen tussen de vrijages in, onbeperkt. Nu misschien nog wel meer. Ons werk, ons leven, onze wensen, dromen. Muziek en boeken.
Waar woorden ogenschijnlijk losjes worden uitgewisseld, zijn de blikken intens. Aanrakingen lijken terloops, een zachte aai langs een arm, een vinger langs een pols een nauwelijks zichtbare streling langs de zijkant van mijn borst bij het opstaan. De warme hand onder in mijn rug bij het verlaten van het terras, de strelende duim op net ontblote huid. Niemand die het opmerkt, maar ik ervaar het met heel mijn wezen.
Samen vertrekken we naar het hotel. Voor mijn kamerdeur staan we stil, worden we stil. Mijn keycard weigert dienst in mijn trillende handen. Als hij me langs me reikt om me te helpen, drukt hij zich zacht tegen mijn rug. Streelt zijn adem zacht langs mijn hals. De deur klikt open.
“Ladies first” en met een klein handgebaar geeft hij mij de kans om de eerste stap te zetten, om te kiezen.
Ik stap mijn kamer in terwijl hij blijft staan. Ik kijk hem aan, bewonder hem en pak zijn hand om hem over de drempel te trekken.
Als de deur zacht dicht klikt zijn zijn handen al overal, en heb ik de mijne al onder zijn trui, licht kras ik met mijn nagels over zijn onderrug. Even hou ik in, licht buiten adem zeg ik met een zachte trillende stem.
“Morgenvroeg ben je niet meer hier”
Met zijn lippen op de aanzet van mijn sleutelbeen trekt hij een lang en traag heet spoor richting het zachte plekje achter mijn oor. Even ontsnapt mijn huid aan zijn lippen als hij terug fluistert.
“Nee, morgen niet meer.”





Hoe minder hoe intenser! Geen zak drop, maar een ons truffels onbetaalbaar lekker. Echt proeven en genieten.
(Rode wangen)
Morgen is voor later…
Leef vandaag….