Het licht leek haar enige redding.
Terwijl ze, met gebogen hoofd zigzaggend tussen de bomen door schoot, fixeerde ze haar blik op dat schitterende stipje in de verte. Haar gehoor had ze echter op dat wat er achter haar gebeurde. Het knappen van takken die niet onder haar voeten lagen, verraadde haar achtervolger. Misschien waren het er meer, ze wist het niet. Ze wist wel dat als ze stil zou gaan staan om te luisteren of ze met meer waren en waar ze zich bevonden, ze zichzelf waarschijnlijk in het nauw dreef. Nee, ze moest door gaan. Doorgaan met rennen ook al gierde haar ademhaling, leek haar borstkas in brand te staan en leek het alsof ze met elke stap zwaarder op de grond terecht kwam en diep in de zachte bosgrond wegzakte.
Ze rende zo hard ze kon. Striemde haar benen aan lage, in het donker niet zichtbare doornstruiken. Ze vervloekte de dunne stof van haar broek, waar de scherpe stekels moeiteloos doorheen prikten. Gelukkig was het wel een donkere kleur, anders was ze een makkelijk doelwit geweest.
De steken in haar zij vlamden door haar lijf en in een eenzelfde ritme gonsde het bloed door haar hoofd, bonkend, bijna verblindend. Ze was moe, ze rende al zo lang. Maar ze stond zichzelf niet toe op te geven, ze zag tergend langzaam het licht naderen.
“Kom op, daar moet je zijn!” de woorden sisten tussen haar opeengeklemde tanden door, als verbeten aanmoediging voor zichzelf. Ze brak door struiken, het leek alsof zelfs hun takken haar tegen probeerde te houden, haar shirt, wapperend wijd, normaal zo comfortabel, bleef haken, ze hoorde het scheuren, nogmaals schold ze op haar kledingkeuze van de avond. Er leuk uitzien was nu ineens zó onbelangrijk.
Struikelend ontsnapte ze aan de hakende takken, haar armen beschermend voor haar ogen. Ze voelde hoe een laatste tak als een zweep over haar hand striemde
“Oh nee”
Abrupt stond ze stil.
Voor haar lag een groot open veld, het licht lokte. Over de vlakte was de kortste en makkelijkste weg, als ze om zou lopen om de openheid en dus zichtbaarheid te ontwijken, zou ze terug moeten. Ze sloot haar ogen, nam nu toch even de tijd te luisteren, ze stond in de dichte struiken redelijk beschut.
Ze luisterde.
Niks, het was doodstil. Het enige wat ze hoorde was het suizen van het bloed in haar oren, haar eigen rasperige ademhaling, maar verder was het intens stil.
Zou haar achtervolger wachten? Kijken of ze zich op het veld bloot zou geven? Haar keuze afwachten? Koud zweet droop langs haar hals. Een huivering door haar lijf, de herfstige vochtige nachtkou trok op nu ze even stond. Ze wist dat ze niet te lang meer stil kon staan, dan zou ze wel eens verloren kunnen zijn.
Met een woeste kreet, gooide ze zichzelf naar voren, als ze het veld maar overkwam! Ze wist zeker dat ze dan het eindpunt dan zou halen. Haar schreeuw stierf weg over het open terrein, het antwoord erop maakte dat haar maag draaide. Er was gewacht op haar onthulling. De brul kwam niet van een persoon, al klonk het wel als een. Ze zou het nooit kunnen winnen wist ze nu. Maar zonder strijd opgeven deed ze ook niet. Met een laatste krachtsinspanning trok ze een sprint, als ze weer in de bosrand zou kunnen verdwijnen, zou ze meer kans maken. Hoop doet leven dacht ze, terwijl ze met gebalde vuisten en ogen wijd open gesperd, strak op het licht gericht bleef.
De oversteek leek verder dan ze had ingeschat, ze hoorde de kreten achter haar, het geroffel van de voeten van haar achtervolgers
“GRIJP HAAR!!!”
Ze keek om, zag de verbeten blikken, de uitgestrekte armen, vingers graaiend, klauwend.
Neeeeeeeeeeehh!! Ze gilde het uit, wilde harder, maar kon het niet, toen de zet in haar rug. De plotselinge kracht ervan en haar snelheid liet haar struikelen. Ze strompelde, nog steeds vrij, de bosrand was zo dichtbij, haar handen raakten de grond, ze wist zichzelf nog een keer op te richten,
“Kom op!” schreeuwde ze tegen zichzelf.
De plotselinge ruk aan haar wapperende shirt, het scheurende geluid van opgevende stof, de plotselinge klap van de tegenstand die het nog bood, liet haar achterover tuimelen, ze viel. Lucht werd uit haar longen geperst toen de groep bovenop en over haar heen viel.
“Hahahaaa! We hebben je!”
Gierend van de lach en hijgend van inspanning liggen ze in de modder.
“Gatver, jullie laten me ook echt precies in de blubber vallen!”
Armen en benen lijken even in een wirwar verstrengeld te raken, lichamen rollen uiteindelijk van elkaar. Ze lacht en kijkt naar haar vrienden.
“Je hebt verloren! Zie je wel dat we je konden pakken! Maar je was wel goed hoor!
“Ja, ja, ben ook bekaf, moet echt minder gaan roken! Maar jullie zijn met zijn drie-en, waar is Sam?
“Oh die ging weer eens de hele andere kant op hij riep dat hij zeker wist dat je richting de heuvel was gelopen.” Mo grijnst, “Hij zit ook altijd mis”.
Ze schudt haar hoofd, “Heeft hij Nachtjacht weer verloren, arme Sam. En wie van jullie drie had me nou eigenlijk als eerste?”
Het was hun steeds weer terugkomende jacht op elkaar. Elke maand, bij volle maan namen ze drank mee naar het bos, stookten ze een vuurtje, en vluchtte een van hen in het donker, waar ze dan met zijn allen op jaagden, als je voor de rest weer bij het vuur terug was, mocht je de maand erop nog een keer en kreeg je een extra fles drank. Als je gepakt werd viel diegene die je als eerst had die eer ten deel. Als je als laatste bij de prooi was, bleef je bij het vuur, zodat het veilig kon blijven branden.
Twee vingers wijzen naar een blonde krullenbol. Zijn gezicht onder de modder,
“Hij rolde in ieder geval als eerste over je heen! En waarschijnlijk vandaag ook als laatste!!” gilt haar vriendin Tanja. Ze bloost, de spanning van een eerste intieme avond hangt al een tijdje in de lucht, de vriendschap tussen haar en Sander is, op zijn zachts gezegd, hartverwarmend en verwarrend. Sander grijnst en fluistert in haar oor, ”Ik hoop het, ooit.” De spanning in haar lijf neemt onmiddellijk toe. “Nog steeds de prooi.”denkt ze.
Nogal plotseling krabbelt ze op, “Kom op, ik heb nou ook wel zin in die borrel!” Ze zoekt, iets gedesoriënteerd van de tuimeling en de vlinders in haar onderbuik, naar het licht van hun kampvuur.
“Stik, is ons vuur uit! Mike zit er toch? En daarnet zag ik het nog flakkeren!”
Mike heeft de taak van Sam overgenomen. Eigenlijk verliest Sam altijd in de Nachtjacht, maar om hem toch mee te laten doen, nemen ze af en toe de vuurwacht van hem over.
Terwijl de anderen ook opstaan, tuurt ze fronsend het bos in.
“Hoe kan dat, zo lang zijn we toch niet weggeweest?” Een blik op haar horloge zegt haar dat het spel iets meer dan een uur heeft geduurd.
Mo haalt zijn schouders op “Mike had nogal wat aan zijn hoofd van de week en het was knetterdruk op zijn werk, misschien is ie in slaap gevallen”
Samen lopen ze richting de vuurplaats. Sander loopt vlak naast haar, zijn hand glijdt over haar onderrug en hij fluistert. “ Enig idee hoe sexy je bent? Je shirt is gescheurd en het laat mijn fantasie op hol slaan.”
Ze kijkt hem aan en glimlacht als hij zijn hand onder haar shirt laat kruipen en langs haar zij streelt, zuchtend leunt ze tegen zijn schouder.
“Gelukkig er brandt nog wat.” zegt Tanja die voorop loopt, “Dat scheelt een hoop werk, we hoeven er alleen wat hout op te, What the fúck!”
De groep ziet hoe met een gil Tanja ineenzakt en achter haar een bizar beeld opdoemt.
Als van een uitgeholde pompoen staren vuurrode ogen hen aan, een kaarsje in een hoofd. Mike zijn mond staat wagenwijd open, het waxinelichtje staat op zijn tong, het topje van zijn schedel glijdt, door het stroperig rood, langs zijn lange haren, het fungeerde schijnbaar als deksel.
Zijn lijf, ontbreekt.
Als in een schok doet ze een stap richting de lugubere kaarsenhouder en dan ziet ze Sam. Hij staart naar het uitgeholde hoofd van Mike, zijn mond verwrongen.
“Sam heb jij gezien wat er gebeurt is” vraagt ze terwijl ze slikt tegen de neiging over te geven. Sam lijkt te ontwaken als hij naar haar opkijkt, zijn gezicht flakkerend verlicht door het waxinelichtje, ziet ze zijn ogen schitteren.
“Ja, ik heb gewonnen! Al die keren dat ik verloor omdat ik niet slinks genoeg was, maar nu ben ik eindelijk de slimste, nu ben ik de ware Nachtjager!”
“Wat bedoel je” Behoedzaam zet ze een stap richting hem.
Een snerpende pijn door haar enkel en de verbazing om de ijzeren kaken die zich met een zingend geluid in haar huid bijten registreert ze nog en ook het net die om Mo valt en de bijl die Sander omhaalt. Voor ze wegzakt in het zwart van de pijn hoort ze Sam zijn hysterische lach en stem.
“Knip, ik heb jullie!”
©Ellen, ’10
Geschreven voor de presentatie van de bundel Adrenaline. 16 verhalen door 15 schrijvers en beslist geen verhaaltjes voor het slapen gaan!! Nieuwsgierig? Meer info vind je op Adrenaline





Gek he? Ik keur het allemaal niet goed, maar toch krijg ik empathie voor dader. Heerlijk Halloween verhaal!