jan
06
2011

Onvergankelijk

Al een tijdje kijk ik nu bij hen naar binnen. Ik kan me niet echt herinneren hoe lang,maar lang genoeg.

Lang genoeg om te weten dat de warmte die door de ramen naar buiten lijkt te stralen ontstaat door Haar. Lang genoeg om te weten dat Zij op handen gedragen wordt door Haar zoon en dochtertje.

Regelmatig kijkt Ze door haar keukenraam naar buiten, naar mij, naar Haar spelende kinderen, terwijl Ze in de pannen roert, of iets staat te snijden. Een glimlach als Ze me ziet. Soms staart Ze ook gewoon naar buiten, de donkerte in. Haar ellebogen leunend op het aanrecht een kop dampende thee in Haar handen. Blazend en voorzichtig Haar lippen tegen de rand van het glas leggend. Haar blik is dan wel op mij gericht maar lijkt Ze me niet echt te zien, ziet Ze volgens mij helemaal niks. Het is die blik die me vasthoudt. Waar zou Ze aan denken, over dromen. Haar blauwe ogen dwarrelend door de lucht, als de sneeuwvlokken die zich tussen ons in laten verwaaien.

Vandaag zal Ze hier zijn, ik weet het. Bij het schijnen van de zon zal Ze met haar kinderen naar buiten trekken. De zon is er vandaag en vannacht heeft Koning Winter de beschadigingen van voeten, sleetjes en sneeuwballengevechten weer geheeld. Op mijn rode sjaal liggen de vlokken van de nacht, zachtlila glinsterend door het prille zonlicht.

Als de deur opent zie ik ze komen. Haar kinderen eerst.

Lachend dartelen ze om me heen. Dezelfde blonde haren, rode wangen, vrolijke sjaals en mutsen. Ik geniet. Voel hoe hun lach me laat stralen.
Het meisje, danst om me heen haar balletles van gister het ging niet door vanwege de gladde wegen.

“Ik wist dat je hier nog zou zijn” lacht ze me toe, “Jij houdt ook van de winter hé”.

Zwijgend kijk ik op haar krullen, besproette neusje en schitterende blauwe ogen die het leven gevangen houden in een lach.

“ Mama houdt ook van de winter,” fluistert ze, haar stem in een vertrouwelijke toon, vroegwijs, “maar het maakt haar ook verdrietig.”

Een sneeuwbal suist vlak over haar hoofd. Hoog zingt haar lach over het veld. Mij omvattend duikt ze achter me weg. Haar broer achter de muur van sneeuw die hun Moeder gemaakt had met behulp van een grote emmer. Samen hadden ze er sneeuw ingestopt en flink aangestampt perfecte bouwstenen voor een sneeuwfort. Haar handigheid verbaasde me.

Alle kinderen in de buurt keken de kunst af, en zo stonden er die middag drie forten. De sneeuwballen vlogen over en weer, sneeuw genoeg, want het bleef maar sneeuwen. De kinderen en zij waren verkleumd door de vorst en de wind die de vlokken nog extra opjoeg en kleine heuveltjes tegen de sneeuwmuurtjes aanlegde.
Maar vannacht, terwijl de vlokken nog vielen, liet de wind ze rustig dalen. Liet hij ze met rust op de smalle randjes van de takken.
Uiteindelijk kwam de zon. Ze scheen nog tegen de laatste winterwolken, maar de blauwe hemel trok op en nu straalde het buiten in blauw, wit en wintervrolijkheid.

Haar dochter huppelt, na het kleine gevecht weer naar binnen, en komt terug met een mooie bruine cowboyhoed. Balancerend op haar teentjes in haar rode snowboots, komt ze net op mijn ooghoogte, maar heeft hulp nodig van haar broer om dan de hoed op mijn hoofd te plaatsen.

“Mama vond het goed, nu het niet meer zo waait je een echte hoed te geven, dan krijg je geen koud hoofd meer. Mooie veer zit erop hè? Het is papa’s veer, weet je dat? Hij zei me dat het van een fazant is geweest.”

Daar komt Ze. Ze kijkt de naar het blauw in de lucht en de zon schijnt mild op haar gezicht. In Haar hand vijf zwarte steentjes, of zijn het kooltjes?

“Kijk eens lieverd, die had ik nog, het wordt tijd dat hij gaat lachen, vind je ook niet? Papa zou zijn hoed nooit aan een chagrijnige sneeuwman hebben geleend.”

Haar zoon pakt een paar kooltjes en geeft er wat aan zijn zusje. Hij kijkt naar zijn Moeder, pakt Haar hand vast.

“Mama?”

“Ja schat?”

“Maken we papa’s lach?”

“Ja lieverd, net als vorig jaar. Weet je het nog? Van oor tot oor, totdat je hem voelt in je hart.”

Haar blik dwaalt af van mij, langs de sneeuwforten, Ze volgt de nog lange schaduw van de grote plataan. En terwijl de zwarte kooltjes mijn glimlach vormen, fluistert Ze ogenschijnlijk naar niemand in het bijzonder

“Ik voel het lief, nog steeds, jouw lach gaat verder dan de wereld.”

En ik, hun sneeuwpop, weet, ik zal smelten, verdwijnen, maar de lach van het hart is overal.

Geschreven voor Schrijvelarij.

4 reacties »

RSS feed for comments on this post. TrackBack URL


Leave a Reply

© 2009 - 2010 AtEllens.nl | Powered by WordPress | Theme: Aeros 2.0 by TheBuckmaker.com