Verwonderd keek ze toe.
Gister was ze een gewone nacht ingegaan. Net zoals altijd met een fijn boek en een laatste kop kruidenthee voor een goede nachtrust. Ze had nog even aan haar buren gedacht. Het bijzondere stel die toen zo gelukkig en blij met elkaar en met het leven wat in haar groeide, was.
Hoofdschuddend en glimlachend dacht ze terug aan hun eerste ontmoeting. Hoe ze voor de deur stonden, met een grote pompoen in hun handen, blozend, voorzichtig lachend. En met de vraag: “Deze staan bij ons in de tuin, maar we hebben geen flauw benul wat we ermee kunnen doen, weet u het misschien”
Het was een bijzondere ontmoeting, waarmee ze diepe indruk hadden gemaakt op haar.
In haar leven en in haar werk als vroedvrouw was ze al zoveel stellen tegengekomen, een aantal bleven bij, door de ellende in hun relatie of juist door het geluk. Deze twee droegen de zon mee, waarmee ze hun omgeving en iedereen die in zich in hun buurt bevond, verwarmden. Ze voelde hoe hun enthousiastme straalde, door haar huid naar binnen drong, zich langzaam een weg banend naar haar hart.
Haar ene opgetrokken wenkbrauw werd gevolg door de ander, toen verzachtte haar blik met een brede lach en had ze haar deur en hart geopend voor het stel, “Kom binnen, kom astjullieblieft verder”.
Ze had gelijk gezien dat Anna zwanger was. Ondanks dat ze eigenlijk haar werk al een tijd niet meer deed, had ze zonder nadenken ‘ja’ gezegd op hun vraag of ze Anna wilde begeleiden in haar zwangerschap en bevalling. Anna wilde graag thuis bevallen en Anna woonde op 50 meter afstand, hoe mooi konden dingen toch samenvallen.
In de maanden die volgden kreeg ze bevestig wat ze insinctief al had gevoeld. De zon bleef zo warm stralen, werd niet te heet, maar gloeide rustig, had een diepe kern. Een mooie vriendschap ontstond.
Een klop op de deur in het holst van de nacht, had haar bevrijd uit een eenzame droom, bekend en ondanks de rustgevende kruidenthee nog steeds verwarrend. Toch was ze gelijk helder.
Toen ze heel kort na de wekkende tik, de deur opende, was ze al gekleed en had ze haar zwarte leren tas bij zich. Zeb stond wiebelend op haar te wachten, maar zodra zijn zoekende blik tot stilstand kwam in haar bruine ogen en haar zelfverzekerde kalmte las, vloeide met een diepe zucht de spanning weg. Het zou goed komen.
En nu, nu zat haar taak erop. Anna had met een mooie natuurlijke bevalling een wondermooie dochter gekregen. ‘Fine’, een mooie naam vond ze. Ze zag hoe de wereld Fine leek te omhelzen. Ze voelde haar hart gloeien, keek naar het drietal en zag hun innige band, zo snel, zo wonderlijk hoe er al een begrip was. Ze wilde zich terugtrekken, hun samenzijn wees haar op haar alleen zijn, het deed zeer. Toen keek Anna op, blauwgrijze ogen vonden haar bruine. Zonder te spreken zei ze: “Blijf lieve Veronica, jij kan haar, ons, nog zoveel leren, asjeblieft blijf”
Veronica voelde hoe de warmte haar weer omarmde, hoe de stralen als hechtdraad door haar lijf trokken en de pijn verzachtten, ze was niet meer alleen.




