mei
24
2009

Terug (Fine, 19)

“Hoe gaat het me je, ik maak me zorgen, je bent anders.”

Zijn ogen namen haar bezorgd op. Al die jaren dat hij haar had gemist. Hij wist nog zo goed hoe ze er toen uit zag. Vol, mooi, sterk en haar uitstraling trok iedereen naar haar toe. Nu was het anders, ze was afgevallen, te veel. En hij zag pijn en zorg in haar ogen. Zijn maag trok samen en het was alsof er een koude hand in zijn nek lag. Was hij hier schuldig aan, of was er wat anders aan de hand.

“Ik ben ziek en word niet meer beter”

Het zinnetje, ondanks dat het in een fluistering uitgesproken werd, donderde bij Zeb naar binnen. Het sloeg alle lucht uit zijn longen, joeg zijn hart eerst in volle snelheid voor zich uit, om het daarna vol af te remmen. Zeb slikte,

“Hoe lang nog?”

“Dat weten ze niet precies. Maar dit is de laatste keer dat ik mijn rozen zie bloeien en de lavendel mag ruiken. Dat weet ik, dat voel ik.”

Ze draaide haar gezicht naar haar prachtige bloemen en kruiden. In al die jaren dat ze hier woonde, had ze alles zo liefdevol verzorgd en uitgekozen. Er waren mensen bij haar geweest met de vraag of ze hun tuin ook wilde doen. Soms had ze ja gezegd. Ze wist dan dat de mensen het met evenveel liefde zouden onderhouden, als dat zij het had gecreeërd. Meestal zei ze nee.

“Ik probeer zoveel mogelijk nog te genieten van wat ze me geven, de geuren, de kleuren, de rust.”

Zeb had haar hand vastgepakt, zijn warmte om haar koude vingers.

“Je bent koud, zal ik je naar binnen brengen, of een deken halen?”

“Blijf je, Zeb?”

Het was een vraag die hij niet verwacht had, zeker niet op dit moment. Hij was welkom, hij voelde het. Hij begreep nu ook meer. Hij was altijd welkom geweest, hij was zélf degene die hem had weg gejaagd, niet zijn famillie.

Hij keek naar zijn zus, die hem kalm aankeek. Hij zag dat zij het ook wist.

“Het was echt niet jouw schuld, het waren de omstandigheden, jij hebt er alles aan gedaan om ons in leven te houden” fluisterde ze.

Samen maakten ze een gedachtenreis, pijnlijke herinneringen lieten ze toe, elkaar vasthoudend.

Sara was met Zeb en Vito op de terugweg geweest van een van hun optredens. Vito en Zeb waren beste vrienden, speelden en schreven samen muziek. Zeb speelde gitaar en Vito zong. Zijn stem verleidde, streelde, raakte alle luisteraars. Maar hij zong alleen voor Sara. Ze was zijn muze, zij legde het gevoel in zijn stem, waar hij door andere dames voor aanbeden werd. Als hij zong, had hij of zijn ogen gesloten, of op haar gericht. Langzamerhand waren ze aan het klimmen in de muziekwereld. De kroegen waarin ze waren begonnen, werden zaaltjes, werden zalen. Vanavond was er iemand naar hen toegekomen en had ze gevraagd deze week nog langs te komen in een grote studio. Hij wilde kijken wat voor materiaal ze verder hadden en zag wel toekomst in hun muziek. Uitgelaten reden ze over bergpassen weer naar huis. Totdat.

Een andere auto had zonder te waarschuwen de bocht te ruim genomen en was hen als tegenligger tegengekomen. Zeb had een frontale botsing nog weten voorkomen, maar was vol tegen de granieten bergwand tot stilstand gekomen. Van de andere auto geen spoor, doorgereden. Zeb had zijn gordel afgerukt en met gebroken ribben had hij zijn zus en Vito uit de auto gesleurd. Voor Vito kwam alle hulp te laat. Op slag dood, hij droeg geen gordel. Zijn zus was ernstig gewond. Ze had erg lang in coma gelegen. Vechtend voor haar leven had ze de begrafenis van Vito gemist. Ze zouden trouwen, drie weken na het ongeluk.
Dat was ook de dag dat het Zeb teveel was geworden. Het voelde alsof de granieten bergwand nog op hem drukte. Hij gaf zichzelf de schuld: hij had beter moeten opletten, hij had anders moeten reageren, hij had ervoor moeten zorgen dat Vito een gordel droeg. Hij verweet zich dat hij twee gezinnen had verwoest en een begin ervan had voorkomen. Hij was gevlucht.

“Maar je bent terug” de zachte stem van Sara haalde hem terug uit de pijn van toen, joeg de woorden ‘jouw schuld’ uit zijn lichaam, ze maakten plaats voor ‘we zijn weer samen’

“Ja ik ben terug, later ga ik ook naar pap en mam, ik wil jullie in mijn nieuwe leven en kennis laten maken met mijn gezin. Met mijn grote liefde die zei dat ik jullie moest zoeken, mijn kleine liefde die altijd wist dat er iets was. Ze lijkt op jou Sara, ik heb een dochtertje en ze lijkt zo op jou.”

“maaaam…ik heb bloemen voor je..” Een blond bezweet koppie denderde door hun gesprek. Zijn armen vol met wilde bloemen. Verbaasde blauwe ogen keken heen en weer tussen Zeb en Sara.

“En mijn kleine liefde. Lijkt op jou” zei Sara met een warme glimlach, ze keek op naar Zeb die was gaan staan ,twee paar grote ogen, bekeken elkaar.

Toen stak de grote blonde man zijn hand uit naar het kleine blonde mannetje:

“Ik ben oom Zeb”

En met een fronsje tussen zijn wenkbrauwen, maar met een open blik, legde hij zijn kleine hand in de grote en zei:

“En ik ben Stefan”

Reageren? »

RSS feed for comments on this post. TrackBack URL


Leave a Reply

© 2009 - 2010 AtEllens.nl | Powered by WordPress | Theme: Aeros 2.0 by TheBuckmaker.com