nov
12
2010

Vastgelegd

Ik weet nog hoe het korset me bijna de adem benam, om me maar wat van die vrouwelijke vormen te geven. Lucia had gezegd dat ik niet moest zeuren, dat ik haar er later dankbaar voor zou zijn. De schilder moet wel stekeblind of stomdronken zijn geweest toen hij haar schilderde, ze oogt mooi en lief, maar het was een draak. Als ik huilde omdat de hete tang voor mijn pijpenkrullen mijn huid brandde, liet zij het heel even tegen mijn rug aantikken, een kleine rode striem als gevolg, maar niemand die het zag, want alleen zij mocht me zonder kleding zien. “Niet janken!” Dat was wat ik zo vaak hoorde.

En mijn vader? De koning, de geweldenaar van het zuiden? Hij gaf me, omdat hij de hele tijd afwezig was, een nar en een dwerg om me mee te vermaken. De nar was eng, hij had gluiperige oogjes, pestte net iets te graag beesten en kneep in billen van de dienstmeiden.
Een keer had hij zich verknepen aan de chaperonne. Ze verslond hem bijna, sloeg hem de hele kamer rond, ik hoorde ze vanaf de gang gillen en kreunen. Ze kwamen beide met hoogrode wangen en wilde blikken weer achter de eikenhouten deur vandaan. Sindsdien leken ze beide wat liever.
De dwerg, Damita, vond ik zielig, ze zou nooit kunnen huwen door haar gedrochtelijke verschijning. Ik hield haar in mijn hofhouding, wetende dat dit voor haar de enige manier was om nog een beetje beschermd te kunnen leven.
In haar vond ik een medestander om te ageren tegen het gebonden leven aan het hof. Zij ontspande stiekem mijn korsetten en blies zachtjes over de zere plekken van de chaperonne. Ze liet me haar erop uitsturen om fratsen uit te halen met anderen en ze vreselijk in de maling te nemen. Samen konden we daar dan smakelijk om lachen.
Toen de nar zich aan Damita vergreep, bedachten we ons eerste nachtelijke grap. Hij tuimelde zijn dood tegemoet vanaf de toren. Niemand wist dat hij vluchtte voor een geestverschijning. Iedereen dacht aan zelfmoord, omdat die dag de chaperonne drijvend in de kasteelgracht was gevonden.
De opwinding die ik voelde toen bleek dat we ongestraft konden bepalen over leven, was bevrijdend. Ik, die niet mocht leven hoe ze wilde, kon ongemerkt beslissen over de dood van een ander.

De schilder werd gestraft voor zijn vertroebelde beeld, en voor zijn iets te lange omhelzing en de gefluisterde woorden “Kom eens bij papa”. Gek was hij! Hoe durfde hij die uitspraak te doen, het zou me mijn kroon kunnen kosten!
Damita vertelde dat ze zijn neus en mond had dicht geknepen, weerloos door de sangria die ik hem had laten brengen ter ere van het bijna klaar zijn van het schilderij. Ze had, een groot stuk grapefruit in zijn mond gepropt, gewoon, omdat het zo grappig leek, een oranjeroze glimlach. Ik huiverde van genot en betreurde het dat ik dit niet had kunnen zien.
Wel jammer dat het schilderij net af was, het trok veel bekijks. Vooral van mijn moeder. Zij was dol op het schilderij. “Zo is je vader toch bij je.” Murmelde ze ooit, haar ogen glanzend, pupillen groot en zwart. Daarna nam ze een snuif uit haar gouden reukdoosje en vertrok naar een zoveelste bal.

Het bal zou ze niet halen, er liep een wiel van haar koets.

Duoblog geschreven in samenwerking met Yasin zijn deel: Vruchtvlees

Onze inspiratie kwam van het schilderij Las Meninas van Diego Velázquez klik

Reageren? »

RSS feed for comments on this post. TrackBack URL


Leave a Reply

© 2009 - 2010 AtEllens.nl | Powered by WordPress | Theme: Aeros 2.0 by TheBuckmaker.com