Er wordt geschopt, gescholden, geslagen. Een jongen zakt op de grond, hij zei iets, iets over niet fietsen op het voetpad. Zijn armen beschermend over zijn hoofd zijn nek, maar de schoenen en vuisten blijven raken, stoppen niet, worden niet gestopt.
Wat doe jij?
Kruipend krioelend glibberig en glad. Koude dunne vingers glijden over mijn ruggenwervel, glijden om mijn nek. Strelen kil mijn haar, een huivering trekt door mee heen, en dan grijpen die ijzige armen me vast, dwingen me tot stilstand. Verstijfd kijk ik toe. Wie doet er iets? Ik kan het niet, ik weet niet hoe.
Wat doe jij?
Grote weke ballen ploffen in mijn maag, kokhalzend draai ik me om. Als of iemand anders me een zet geeft, voel ik hoe ik bijna val. Een stem galmt door mijn hoofd, door mijn hele lijf: “Weg, weg van hier, weg van deze plek” Zonder echt te zien kijk ik rond. Iemand anders doet wel wat, toch? Kijk zij staan ook te kijken, ik moet gaan, nu.
Wat doe jij?
In mijn hoofd begint het als klein prikkelend vlekje. Dan breidt het zich uit geeft me een waas. Mijn mond wordt droog en mijn spieren spannen zich, klaar om een aanval te pareren. Gebalde vuisten, onrustige ogen en dan brul ik. Ze vluchten…achter ze aan, pak ze,
Achtergebleven en eenzaam ligt een jongen op de grond, hij zei iets, iets over niet fietsen op een voetpad. Met opengesperde ogen kijkt hij rond. Zijn ademhaling in korte stoten naar buiten, zijn handen spreiden zich naar de lucht, met moeite haalt hij weer lucht naar binnen. Dan zakken zijn handen, zijn ogen sluiten.
Wat doe jij??




