Diep over zijn hals gebogen, klauw ik me vast aan zijn manen. Valk, mijn paard, het enige wat ik echt liefheb op deze wereld.
Zijn voskleurige manen vermengen zich met mijn woest krullend haar, hoog opgegooid door de wind.
Nog even, dan ben ik er. Nog verder zak ik in de manen van Valk. Ik vertrouw blindelings op hem, letterlijk. Met gesloten ogen spoor ik hem aan. Zijn hoeven dreunen over de bosgrond, kleine takken geselen mijn blote benen.
“Kom terug hoer! Je hebt me bedrogen, kom terug! Ik zal je eens laten zien wat die troep van jou met me gedaan heeft”
Valk en ik lijken te vliegen, mijn zwarte mantel opwaaiend als onze vleugels. Nog een klein stukje en dan zijn we op open veld, dan kunnen we nog meer vaart maken. Mos en modder spatten op.
Ik voel hoe Valk zijn hoofd opricht. Hij kiest het pad, ik volg, alsof we een zijn, al zijn bewegingen. Zijn sprongen, slalommend om de bomen, dwars door de struiken. Doorns haken in zijn satijnen vel, in mijn huid. Nog steviger klem ik mijn dijbenen om zijn lijf. Daar is het veld.
“Die heks heeft me vergiftigd! Pastoor! Kijk naar mijn gezicht, het is verminkt! Door haar en haar drankjes en dat beest van haar stond te snuiven alsof het door de duivel bezeten was. Laat haar niet ontsnappen! Daar gaat ze! Op dat monster met die vuurrode manen. Daar vlucht ze, blootsvoets, met haar blanke huid en helle ogen! Ze is een heks Pastoor! Op de stapel met haar!”
Ik voel de wind, merk dat hij eindelijk vrij spel heeft, niet meer belemmerd door de dichtheid van het bos, hij is vrij. Wij zijn vrij! Ik richt me op spreid mijn armen en laat het vuur komen. Het gloeit in mijn onderbuik, het brandt in mijn hele lijf, het schroeit mijn hart, ik lach en huil.
“Hier ben ik, eindelijk kunnen we samen zijn. De boer die dacht mij te kunnen verleiden werd onooglijk, de ridder die mij dacht te bezitten, impotent. Ik bespeel ze, voer ze. Ja pastoor, hoor je me nog? Jij zielige, armetierige, seksueel gefrustreerde rotzak. Jij had met je tengels van mij af moeten blijven. Je kon het niet laten en dat uit name van bekering? Laat me niet lachen. Ik brand, ja, van liefde, maar jij, zogenaamde vriend van God, jij zal branden in de hel voor wat je hebt gedaan!
Kijk Valk, daar is hij, zie je hem? Jij hoeft niet mee, laat me eraf. Ga maar, jij was de enige die er altijd voor me was, mijn vurige vriend, nu ben jij ook vrij!”
Het gras op de velden lag plat, neergeslagen door de wind en de regen. Thor verlichtte het pad voor de vrouw met de koperkleurige krullen. Ze had eindelijk gekozen,voor hem. De mensen hadden haar regelrecht naar hem toe geleid. Lang had hij gewacht. Vaak had hij geprobeerd haar met zijn geladen aantrekkingskracht dichterbij te krijgen, maar ze had altijd de moeilijke weg gekozen. Het was zwaar voor hem, maar vooral voor haar. Nooit werd ze gezien zoals ze was. Warmbloedig, hartstochtelijk, vrijgevochten. Ze had het vuur, de passie en nu was ze voor hem
Het voskleurig paard stond trillend van de inspanning naast de vrouw. Alleen gehuld in een zwarte mantel haar hoofd opgeheven naar de lucht, lachend om de vuurbollen die het zwarte plafond van de wereld op lieten lichten.
“Hier ben ik, lieveling! Kom me halen”
De donkere wereld werd plotseling spierwit, één flits, het paard en de vrouw werden vol geraakt.
Geen donder liet zich horen, slechts een lach.





Heuuurrlijk verhaal….