mrt
08
2009

Zoektocht (Fine)

Zeb voelde een zuchtje wind, als een voorzichtige waarschuwing. Hij keek op en zag Amata tussen de grillige bomen lopen, ze zwaaide. De wind nam haar glimlach mee en vulde een beetje zijn ruimte.
Hij snoof de geurige lucht op, lavendel, een geur die zich altijd aan Amata leek te hechten. Zelfs als ze ’s avonds na een dag olijven plukken met vochtige haren een rode kleur en zwartgeschampte handen voor je uit liep, rook je het.

Het kalmeerde hem en liet zijn hart wat minder zwaar voelen.
Hij kneep zijn ogen wat toe als bescherming tegen de zon achter haar, waardoor ze in een lichtkrans leek te lopen. Een rommelige staart hield haar haren in het gareel, met hier en daar een lok die haar plaagde, kriebeldend langs haar neus, krullend langs haar wangen en hals, de lokken in haar nek schitterden diepwarm door de zon.

Ze kruiste zijn pad en liet zich, opnemen in zijn stofwolken. Haar ogen gaven een uitnodiging tot praten.

“Het is te stil, Amata. Ik kan niets meer vinden in de ruimte die Anna en Fine achterlaten”

“En dus loop je hier te sloffen, je onderdompelend in stuivend zand? Vijf jaar lang heb je je verstopt, alleen gericht op je meisjes en nu wordt je geconfronteerd met een leegte en je ontdekt dat je jezelf kwijt bent”

Abrupt stond Zeb stil, keek naar zijn buurvrouw, ogen donker staarden in haar kalme blik. Zijn keel voelde droog. Onder zijn ribbenkast raasde het bloed, het pompte hard door zijn lijf. Hij nam een teug lucht en probeerde zijn woorden rustig te laten klinken.

“Ik heb mezelf gevonden, hier, bij Anna en Fine, in de boomgaard. Voor het eerst sinds tijden ben ik zo lang op een plek gebleven en jij denkt dat ik mezelf zoek? Ik weet heel goed waar ik ben!”

“Maar is het voldoende, Zeb?”

Zeb keek over zijn heuvel, maar hij zag niets van de natuurpracht. Zijn gedachten holden achterwaarts, flitsen van twee oude mensen, een jonge vrouw, iets jonger dan hij. Haar ogen, dezelfde kleur blauw als de zijne. Een beeld van een man, samen met hen lachend, genietend, gitaar spelend begeleid door zijn zang.

Een koele hand gleed over zijn samengebalde vuist. Het haalde hem terug, hij voelde hoe een traan een spoor trok langs zijn neus. Hij schudde zijn hoofd, een poging het laatste beeld te wissen: de jonge vrouw huilend bij een kist, donker hout met koperen handvaten.

“Ik kan niet zien wat jij zag, maar nu je meer alleen bent, kun je er niet meer voor vluchten. Je hebt je verdriet goed verborgen gehouden, voor jezelf, maar ook voor je liefdes.

Zeb wist dat Amata gelijk had.
Fine, gevoelig voor de emoties van anderen, had hem wel eens strak aangekeken, haar heldere marijnblauwe blik in een frons. Een vraag stil op haar gezicht te lezen, maar ze had hem nooit gesteld. Meestal sloeg ze haar armpjes om hem heen en knuffelde en kietelde ze hem net zolang totdat ze samen gierend van het lachen van de bank gleden of door het gras rolden. Fine had zijn hart altijd weer licht weten te maken. Nu ze minder om hem heen was, ging het moeilijker.

Zijn, door gedachten en tranen vertroebelde blik, vond ineens weer diepte. Hij hield zijn adem in. Amata zag de verandering in zijn ogen en volgde zijn blik.

De wind had zachtjes de zandwolk van hen weggetrokken, en nu speelde hij met de wolken, diepdonkerblauwe en bijna zwarte dotten krulden op in de lucht, klommen over de heuvels en richtten zich hoog op, witte flarden dartelden tussen de wolkenpartij. Het had dreigend kunnen zijn, maar de zon temperde de angst. Ze dwong bewondering af, haar stralen kierden door de open ruimtes en schitterden vanachter de randen. Een straal feller, kleuriger als de andere bundels wit die door het wolkenkleed prikten, wees richting de stad, verlichtte de weg.

Zeb wist wat hij moest doen, maar vroeg zich af of hij de moed ervoor had.

Reageren? »

RSS feed for comments on this post. TrackBack URL


Leave a Reply

© 2009 - 2010 AtEllens.nl | Powered by WordPress | Theme: Aeros 2.0 by TheBuckmaker.com