Gedrieën renden ze het pad naar het huis van Veronica op, schopten stofwolken boven hun hoofden, als onheilsbrengers, ze verraadden hun komst. Veronica stond al bij de deur.
De zin die ze wilde uitspreken om hun tot wat kalmte te manen, stokte halverweg in haar keel toen ze Fine, Renzo en Leandro van dichtbij zag.
Een blauw oog, een schram op een wang een bloedlip en een bloedneus. Geschaafde handen en knieen. Dit alles redelijk eerlijk verdeeld over de drie kinderen.
“Wat is er in godsnaam gebeurt?”
Als antwoord, drie paar ogen die naar haar opkeken in verwaterd donkerblauw en bruin.
Twee armen, niet groot genoeg om alledrie te omhelzen maar het toch probeerden, drukten de kinderen dicht tegen elkaar en haar aan. Veronica hoorde het gesnik uit het beknelde groepje komen. Voelde de lijfjes schokken, haar eigen hart roffelen.
“Je blouse wordt vies Roni, kijk, modder”.
Wakker geschudt door de opmerking van Renzo, de oudste van het stel, liet ze los. Haar kalmte, die haar vroeger zo’n goede verloskundige maakte, nam het over. Ze plantte de drie kinderen elk op een stoel en ging stilzwijgend, vlot en vooral, liefdevol voorzichtig, aan de slag. Vragen zouden moeten wachten, eerst de zorg voor zichtbare verwondingen.
Een voor een nam ze een kind naast zich op haar aanrecht. Wastte besmeurde snoetjes, veegde het bloed weg, streek plakkende haren uit bleke gezichtjes, gaf sniffende neusjes lucht. Ze maakte een koelpak voor het blauwe oog van Leandro, gaf een verwarmde buidel met lavendel voor de nog steeds snikkende Fine, en verzorgde de bloedneus van Renzo door er zachtjes een opgerold gaasje in te stoppen. Vaardige handen controleerden, knepen, liefkoosden troostend de drie vrienden. Ogen zochten elkaar en de kinderen voelden de kalmte van Veronica langzaam overgaan in hun beschadigde lijfjes. Stilletjes zaten ze uiteindelijk aan de grote tafel.
Veronica gaf hen een glas koele limoenlimonade waar ze allemaal zo gek op waren. Zette haar handen op de tafel, leunde erop.
“Zo, en vertel dan nu maar wat er gebeurt is”
Renzo, als oudste nam het woord.
Hij vertelde hoe vijf oudere jongens Fine achterna hadden gezeten, alleen omdat Fine had gezegd dat de moeder van een van de achtervolgers ziek was. De jongen had gegild dat ze had gelogen, maar Fine had, volgehouden. Renzo vertelde toen dat de jongen haar een duw hadden gegeven. Fine, gewend aan het ruwe spel van haar buurjongens had zich vel verweerd door een harde dreun terug te geven.
Daarna was er een kluwen van armen en benen geweest waaruit het drietal, doordat ze elkaar bleven steunen als winnaar opstonden. Vijf jongens waren gevlucht, gillend dat Fine gek was en dat ze niet meer bij hun in de buurt moest komen, en dus Leandro en Renzo ook niet!
Omdat ze hun ouders niet ongerust wilden maken, hadden ze samen besloten naar Veronica te gaan.
“Je gaat toch niks vertellen he, Roni, mama heeft al een vol hoofd en papa”
Fine maakte haar zin niet af, hief haar gezichtje op naar Veronica.
Donkerblauwe ogen keken haar smekend aan, gesteund door de bijna zwarte van de jongens.
“Nee, ik ga niks vertellen, dat gaan jullie zelf doen. En jullie komen er niet onderuit, kijk maar eens in de spiegel, ze zullen er wel naar vragen. Ach kinderen, toch, kom eens hier jullie!”
Ze spreidde haar armen, klaar om de niet zichtbare schade te verzorgen. Drie kinderen stormden in haar omarming. Liefde overspoelde haar als een vloedgolf, ebde terug naar hen. Veronica voelde hoe de laatste schrik langzaam uit de lijfjes gleed, voelde hoe Fine weer sterker begon te gloeien. Als uit een volgde er een diepe zucht.
Ze liet los.
“En nu naar huis”
Na vele natte zoenen en nog voordat de kinderen, met hun oude enthousiastme de deur uitdenderden riep Veronica nog naar Renzo.
“Wie was dat jongentje met wie Fine woorden had?”
“Dat was Marcello, Roni. Doei”
Veronica’s hart miste een slag, haar arm bedoelt voor een zwaai bleef stijf in de lucht staan. Ze kende hem, zijn moeder was Vera, ze had kanker. Er waren niet veel mensen die dat wisten, zeker Fine niet.




